


De chinchilla behoort tot de cavia-achtige en is dus een knaagdier.
Het uiterlijk van het diertje is dus met geen enkel ander dier te vergelijken.
Het is ongeveer 25 cm groot ,ongeveer het formaat van een klein konijn.
Ze hebben nauwelijks behaarde oren van ongeveer 4 cm lang ,heldere ogen en lange snorharen.
Ze hebben stevige lange achterpoten en korte voorpootjes.
Een geborstelde staart en een zeer zachte vacht ,deze vacht maakt de chinchilla nu zo speciaal.
Uit elke haarwortel kunnen wel 40 tot 120 haren komen.
Het zijn zeer zachte en opgewekte schemerdiertjes ,dit wil zeggen dat ze in de avond en nacht actief
zijn en overdag hun rust nemen.
Chinchilla’s zijn afkomstig uit Zuid-Amerika ,meer bepaald uit het Andesgebergte ,waar ze op een
hoogte van 4500 tot 5000 meter in grote kolonies overleefde onder onherbergzame omstandigheden.
Op het einde van de 18 de eeuw was de chinchilla zo goed als volledig uitgeroeid , dit was te danken
aan hun zeer zachte pels .
Deze pels werd vroeger op grote schaal gebruikt voor de bontindustrie.
Dat heeft men volgehouden tot het einde van de 19 de eeuw.
Stilaan is men er van overtuigd geraakt dat men beter de chinchilla kan houden als huisdier
dan om te fokken voor hun pels.
Nog even algemene kenmerken :
Latijnse naam : chinchilla lanigera
Lichaamslengte : 25 - 35 cm
Staartlengte :13 - 18 cm
Oorlengte : 4 - 6 cm
Oorbreedte : 3 - 4 cm
Snorhaarlengte : 10 - 13 cm
Gewicht : 450 - 800 gram (uitzonderingen tot 1,100 kg )
Lichaamstemperatuur : 37 graden
Gemiddelde leeftijd : 10 - 15 jaar (max 20 jaar)
